De gevolgen van de wet van 1921 in het gevangeniswezen

Afgaande op onze ervaring lijkt het ons overduidelijk dat de wet van 1921 sociale ongelijkheden versterkt, die bovendien zelf nog door gevangenschap worden aangescherpt. Hoewel het gebruik van roesmiddelen in alle lagen van de bevolking voorkomt, zijn het vooral mensen die verscheidene kwetsbaarheden cumuleren die in de gevangenis terechtkomen. We weten bijvoorbeeld dat ongeveer 50% van de gedetineerden opgesloten zijn voor drugsgerelateerde feiten (Eurotox 2020). Opsluiting tast tevens de – reeds fragiele – gezondheid van gedetineerden aan, en versterkt ook de criminele spiraal.

Bovendien staat deze wet harm reduction in de weg, met de overdracht van sommige infecties als gevolg. Zo vroeg een gedetineerde die drugs gebruikt zich tijdens één van onze interventies af: «Is het beter om zich slecht te voelen [wegens ontwenningsverschijnselen] zonder middelen of om het risico te lopen aids of hepatitis op te doen? [door het gebrek aan spuitenruil of snuifrietjes]» Rekening houdend met het feit dat HIV en hepatitis B en C vaker voorkomen in de gevangenis dan in de vrije samenleving (KCE, 2017) is een beleid van harm reduction onontbeerlijk. Bovendien heeft België zich er bij de WGO toe verbonden om hepatitis C tegen 2030 op zijn grondgebied uit te roeien.

We merken ook bij het bestuur van het gevangeniswezen een zekere mate van ontkenning van drugsgebruik binnen de gevangenismuren. Een spijtig geval van struisvogelpolitiek. Het veiligheidsaspect haalt het doorgaans van het streven naar globale (fysieke, mentale en sociale) gezondheid, en dwarsboomt reflectie en verandering. Deze vaststelling voedt enige terughoudendheid om harm reduction acties binnen het gevangeniswezen op touw te zetten.

Ten slotte brengt de wet van 1921 stigmatisering teweeg van gebruikers van roesmiddelen in onze samenleving. Nina Tissot (2016) merkt op dat zgn. «drugsverslaafden» in de gevangenis onder zware stigma’s te lijden hebben, zowel vanwege medegedetineerden als van het gevangenispersoneel. Whitley en Kite (2013) benadrukken dat «stigma het gevoel van eigenwaarde aantast, een gevoel van bedreiging ontwikkelt, de gevoeligheid voor stress en de aantasting van de fysieke en mentale gezondheid verhoogt» (geciteerd door Bernaud, Desrumaux & Guédon, 2021). Stigma kan voor deze gedetineerden een obstakel vormen om deel te nemen aan onze groepsinterventies ter bevordering van de gezondheid.

Ter afsluiting zou een wijziging van deze wet vele gunstige gevolgen kunnen hebben, zowel voor de volksgezondheid als voor de gezondheid van elk individu: een betere opvang van mensen die drugs gebruiken, een volwaardig harm reduction beleid, een ontlasting van het gevangeniswezen, een verbetering van de detentieomstandigheden, en bijgevolg, te langen leste, een vermindering van sociale ongelijkheid.

SES vzw, Service Éducation pour la Santé, een organisatie voor gezondheidsbevordering actief binnen de gevangenismuren

Meer weten

Andere berichten

Deel dit bericht!

Er zijn nog geen reacties, voeg er een toe hieronder.

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.